Woudagemaal op de Lijst van het
Werelderfgoed
Op 2 oktober 1920 stelde Koningin Wilhelmina het bij Lemmer gelegen Ir.
D.F. Woudagemaal als hulpgemaal voor de waterbeheersing in de Friese
Boezem in gebruik. Op 2 december 1999 besloot het Comité voor het
Werelderfgoed het gemaal te plaatsen op de Lijst van het Werelderfgoed
van de UNESCO.
Het Comité deed dit op grond van diverse overwegingen. Allereerst omdat
de komst van stoom als energiebron de Nederlandse waterstaatkundigen
een duchtig werktuig in handen gegeven heeft bij hun eeuwenlange strijd
tegen het water. De tweede reden is de afmeting: dit is het grootste
ooit gebouwde stoomgemaal. Ten derde vindt het Comité, dat het
Woudagemaal het hoogtepunt vormt in de technische geschiedenis van de
waterstaat in Nederland: het gemaal laat op uitzonderlijke wijze zien
hoe de mens met stoomkracht de natuur kan beheersen. Meer in het
bijzonder, hoe de Nederlandse waterstaatkundigen stoomkracht toepasten.
Daarom kwam het Comité, vrij vertaald naar de officiële criteria (I, II
en IV van de 'Operational Guidelines for the Implementation of the
World Heritage Convention', Parijs februari 1998), tot het besluit dat
het Woudagemaal een meesterwerk van de menselijke geest en van diens
scheppend vermogen is. Het gemaal heeft in dit deel van de wereld een
belangrijke uitwerking gehad op technische ontwikkelingen. Het moet
gezien worden als een uitzonderlijk industrieel complex dat een
belangrijke fase in de geschiedenis der mensheid markeert. Van de
eenentwintig landen, die op dit ogenblik het Comité voor het
Werelderfgoed vormen, hadden alleen Thailand en Griekenland hun
reserves om het gemaal als een meesterwerk te bestempelen (criterium I).
Voor het Waterschap Friesland is het gemaal in de allereerste en
allerbelangrijkste plaats een werktuig. Het gemaal wordt voor het
waterbeheer als ondersteuning ingezet als de sluizen bij Harlingen
(Tsjerk Hiddessluizen), bij Dokkum (Dokkumer Nieuwe Zijlen), de Friese
Sluis bij Zoutkamp en het J.L. Hooglandgemaal bij Stavoren het water
niet meer voldoende kunnen afvoeren naar Lauwerszee en IJsselmeer.
Eenmaal onder stoom gebracht slaat het Woudagemaal, met zijn acht
centrifugaal pompen uit 1920 en zijn vier tandem-compound stoommachines
uit 1919, onder normale omstandigheden 65 m³ water per seconde uit of
wel 5.6 miljoen m³ per etmaal. Is het noodzakelijk, dan kan dit
opgevoerd worden tot 70m³ per seconde en 6 miljoen m³ per 24 uur- En
dan te bedenken dat veertien medewerkers nodig zijn om deze hele
machinerie in beweging te brengen en continue in bedrijf te houden. Het
Waterschap houdt het gemaal technisch en bouwkundig in optimale
conditie en zal dat ook blijven doen, met inachtneming van de
monumentale waarde van dit majestueuze bouwwerk. Dat het Waterschap
Friesland daarnaast een open oog heeft voor de ruime publieke
belangstelling voor dit uitzonderlijke gebouw met zijn indrukwekkend
machinepark, moet zonder meer gewaardeerd worden.
Als het om het Werelderfgoed gaat worden er gewoonlijk vergelijkingen
getrokken met de Chinese Muur of met de Egyptische piramiden van Gizeh.
De Lijst van het Werelderfgoed laat echter meer zien. De laatste jaren
groeit op de Lijst het aantal monumenten, dat de geschiedenis van de
techniek markeert. Om een paar voorbeelden te noemen: de Ironbridge
(1778) over de rivier de Severn in Engeland, in Duitsland de Völklinger
Hütte (een hoogoven uit 1881, stilgelegd in 1986) en de mijnen in
Rammelsberg, in Finland een houtverwerkingsfabriek te Verla (1882, in
1964 opgeheven). In 1997 besloot het Comité het Canal du Midi in
Frankrijk, met een lengte van in totaal 360 kilometer (1667) en in
Nederland het molencomplex in Kinderdijk (1738, 1740, 1761: gemalen
19de en 20ste eeuw) op de Lijst te plaatsen. Afgelopen jaar voegde het
Comité de vier scheepsliften (19de eeuw) in het Canal du Centre in
België en de spoorbaan van de Semmeringbahn (1848-1854) in Oostenrijk
toe. Vooralsnog staan de industriële monumenten die UNESCO van
universele betekenis acht, met name in Europa.
Inmiddels wordt er gewerkt aan volgende voordrachten voor
niet-archeologische monumenten. In 1999 zal het Rietveld-Schröderhuis
in Utrecht worden voorgedragen. Op deze wijze wil Nederland zijn
bijdrage aan de International Movement in de architectuur aan het begin
van de 20ste eeuw onderstrepen. Samen met de provincies Utrecht, Noord-
en Zuid-Holland, Gelderland en Brabant en met de Stichting Menno van
Coehoorn wordt het nodige gedaan om de Nieuwe Hollandse Waterlinie te
nomineren. Het gaat daarbij om een voormalige militaire
verdedigingslinie die lopend vanaf het IJsselmeer tot in de Biesbosch
als het ware gelegen is op de hartlijn in het midden van ons land. Er
komen zeer diverse en ingewikkelde vraagstukken aan de orde bij de
bescherming als monument van de vele honderden werken en onderdelen,
die eens functioneel deel hebben uitgemaakt van het ingenieuze stelsel
van het Nieuwe Hollandse Waterlinie. Gezien het grote aantal eigenaren
van de linie speelt de vraag hoe toekomstig gebruik en beheer bepaald
zullen worden. Niet in de laatste plaats is aan de orde wat de
ruimtelijke consequenties in en langs het hele gebied zullen zijn bij
een eventuele plaatsing.
De historische binnenstad van Amsterdam is in 1995 door
staatssecretaris Nuis aan de UNESCO genoemd voor voordracht voor de
Lijst van het Werelderfgoed. Nu de aanwijzing van de historische
binnenstad heeft plaatsgevonden, kan worden doorgegaan met het
voorbereiden van de nominatie voor de lijst. Amsterdam ziet graag dat
de nominatie in het jaar 2000 ingediend wordt bij het Comité voor het
Werelderfgoed.
In 1995 meldde de vorige staatssecretaris aan het Comité dat de
voormalige Van Nelle Fabriek in Rotterdam ook voorgedragen zal worden.
De Van Nelle Fabriek is eveneens een wereldbekende bijdrage van ons
land aan de International Movement. Nu het complex het afgelopen jaar
verkocht is, is het moment aangebroken dat deze voordracht opgesteld
kan worden.
Rob de Jong, coördinator RDMZ, Lijst Werelderfgoed van de UNESCO
Gepubliceerd in de Nieuwsbrief 1999-1 van Monumentenzorg